Toegankelijkheid begint met een andere blik

“We kunnen die functie helaas niet invullen met iemand die een rolstoel gebruikt. Ons kantoor is daar simpelweg niet op ingericht.” Het klinkt als een praktische constatering. Toch roept deze uitspraak een belangrijke vraag op: worden mensen beperkt door hun beperking, of door een omgeving die onvoldoende rekening houdt met verschillen tussen mensen? Daarin neem ik, Mariëlle Brommet, expert toegankelijkheid bij Stichting Accessibility, je mee.
Hoe we naar die vraag kijken bepaalt in belangrijke mate hoe we toegankelijkheid en inclusie benaderen. Het nodigt ons uit om stil te staan bij de manier waarop gebouwen, producten, diensten en systemen zijn ontworpen. Vaak gebeurt dat vanuit aannames over wat gebruikers nodig hebben of hoe zij functioneren. Voor veel mensen werkt dat prima, maar voor anderen kunnen daardoor onbedoeld drempels ontstaan. Niet omdat ze tekortschieten, maar omdat de omgeving onvoldoende rekening houdt met de diversiteit aan mensen. Hierdoor worden zij vaak gezien als uitzondering waarvoor een specifieke oplossing nodig is.
Van medisch model naar het sociaal model
De manier van kijken bepaalt ook hoe we een beperking begrijpen. Een beperking wordt vaak bekeken vanuit het medische model. De focus ligt dan op de persoon: wat betekent een aandoening voor het functioneren en welke ondersteuning is nodig? Het sociaal model voegt daar een ander perspectief aan toe. Het kijkt naar de invloed van de omgeving op deelname aan de samenleving. Een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve of psychische aandoening kan beperkingen met zich meebrengen, maar de mate waarin iemand wordt belemmerd, hangt ook af van hoe toegankelijk de omgeving is. Daarom staat de wisselwerking tussen mens en omgeving centraal.
Deze benadering vormt ook de basis van het VN-Verdrag Handicap. Het verdrag gaat uit van het recht op gelijke participatie en beschouwt beperkingen niet uitsluitend als een persoonlijk vraagstuk, maar als het gevolg van de wisselwerking tussen mens en omgeving. Daarmee vraagt het verdrag aandacht voor de rol die overheden, werkgevers, ontwerpers en gebouweigenaren kunnen spelen bij het wegnemen van barrières en het bevorderen van deelname.
Een eenvoudig voorbeeld maakt dat verschil zichtbaar. Iemand die een rolstoel gebruikt, wordt beperkt wanneer een gebouw alleen via een trap toegankelijk is. Met een toegankelijke entree kan diezelfde persoon het gebouw zelfstandig gebruiken. De mate waarin iemand wordt belemmerd, hangt daarmee niet alleen samen met de persoon, maar ook met de toegankelijkheid van de omgeving.
Hetzelfde principe geldt voor veel andere situaties. Een persoon met een visuele beperking kan afhankelijk worden van hulp van anderen wanneer verlichting, contrast en wayfinding tekortschieten. Een medewerker met dyslexie kan meer tijd en energie kwijt zijn aan het verwerken van onduidelijke informatie. En iemand met autisme kan zich minder goed concentreren of zelfs bepaalde ruimtes vermijden wanneer prikkels onvoldoende beheersbaar zijn.
Deze voorbeelden maken duidelijk dat toegankelijkheid niet alleen gaat over ergens kunnen komen of iets kunnen gebruiken, maar over de mogelijkheid om zelfstandig, autonoom en gelijkwaardig deel te nemen.
Toegankelijkheid is relevant voor iedereen
Het sociaal model benadrukt dat mensen verschillende behoeften hebben en dat vrijwel iedereen op enig moment belemmeringen kan ervaren in relatie tot zijn omgeving. Denk aan een gebroken arm, vermoeidheid na een intense vergadering, taalbarrières of onbekend zijn in een gebouw. Het is daarom relevant voor veel meer mensen dan alleen de mensen met een permanente beperking. Vanuit dit perspectief wordt toegankelijkheid niet gezien als een aanpassing voor een beperkte groep, maar als een ontwerpprincipe dat rekening houdt met de diversiteit aan gebruikers en omstandigheden.
Een interessant voorbeeld van hoe met verschillende behoeften wordt omgegaan, is te vinden in moderne kantoorconcepten.
Activity Based Working: inclusief of alleen flexibel?
Veel nieuwe kantoren worden ingericht volgens het principe van Activity Based Working (ABW). Medewerkers kiezen daarbij een werkomgeving die past bij hun activiteit: reuring voor spontane ontmoetingen en informele gesprekken, ruis voor samenwerking en overleg, en rust voor geconcentreerd werken en taken die veel focus vragen.
Op het eerste gezicht lijkt dit goed aan te sluiten bij het sociaal model. Toch ligt de focus vaak op flexibiliteit, samenwerking en efficiënt ruimtegebruik, terwijl de diversiteit van gebruikers niet expliciet wordt meegenomen.
Een kantoor kan veel verschillende werkomgevingen bieden en toch barrières opwerpen. Een medewerker met autisme kan behoefte hebben aan voorspelbaarheid, een medewerker met een fysieke beperking aan een specifiek ingerichte werkplek en een medewerker met een visuele beperking aan duidelijke oriëntatie. Wat voor de één flexibiliteit biedt, kan voor de ander juist een drempel vormen.
De oplossing ligt niet in het loslaten van ABW, maar in het verbreden van het uitgangspunt. Naast activiteiten verdient ook de diversiteit van mensen een plek in het ontwerp van de werkomgeving. Een inclusieve werkomgeving biedt daarom niet alleen keuzevrijheid, maar ook toegankelijkheid, herkenbaarheid en de mogelijkheid om zelfstandig gebruik te maken van alle voorzieningen.
Wat betekent dit voor kantoorontwerp?
Vanuit het sociaal model verschuift de vraag van: "Welke werkplekken hebben we nodig voor verschillende activiteiten?" naar: “Hoe ontwerpen we een werkomgeving waarin mensen met uiteenlopende behoeften goed kunnen functioneren?”
Dat leidt tot andere ontwerpkeuzes. Niet achteraf aanpassingen of voorzieningen toevoegen, maar vanaf het begin ontwerpen voor een brede groep gebruikers. Niet uitgaan van één type medewerker, maar rekening houden met uiteenlopende behoeften en manieren van werken. Daar begint inclusie. Niet bij het aanpassen van mensen aan de omgeving, maar bij het ontwerpen van een omgeving die werkt voor zoveel mogelijk mensen.
Stel jezelf eens de vraag:
Welke barrières creëren wij zelf, bewust of onbewust, waardoor mensen niet volledig kunnen deelnemen?
Het antwoord daarop zegt vaak meer over de inrichting van een organisatie dan over de behoefte en diversiteit van haar gebruikers.




















