Inclusie begint waar doelgroepdenken stopt

‘Die ene prikkelarme ruimte is toch alleen voor die medewerker met ADHD?’ Het is een opmerking die regelmatig klinkt tijdens de ontwikkeling en het beheer van kantoren. Net als vragen als: hebben we echt een aparte gebedsruimte nodig? Moeten we rekening houden met dieetwensen? En hoe vaak wordt een kolfruimte eigenlijk gebruikt? Daarin neem ik, Mariëlle Brommet, expert toegankelijkheid bij Stichting Accessibility, je mee.
Achter deze vragen schuilt een manier van denken die nog vaak voorkomt binnen organisaties. Oplossingen worden beoordeeld vanuit de vraag voor welke doelgroep ze bedoeld zijn en hoe groot die doelgroep is. Daarbij wordt vaak uitgegaan van wat we gewend zijn of van de behoeften van de ‘gemiddelde medewerker’. Hoewel dat een begrijpelijk vertrekpunt lijkt, doet het onvoldoende recht aan de diversiteit aan mensen, werkstijlen, achtergronden en behoeften die samenkomen in één werkomgeving.
Voor organisaties die streven naar gezonde, duurzame en toekomstbestendige werkomgevingen is de vraag daarom niet óf we rekening moeten houden met diversiteit, maar hoe.
Van doelgroep naar behoeften
Bij het ontwikkelen en beheren van kantoren gaat het regelmatig over ‘doel’. Achter dit soort vragen schuilt vaak dezelfde gedachte: een voorziening wordt gekoppeld aan een specifieke doelgroep en vervolgens beoordeeld op de omvang van die doelgroep. Dat lijkt logisch, maar het brengt ook een risico met zich mee. Zodra een oplossing wordt gezien als iets voor een specifieke groep mensen, ontstaat al snel het beeld dat het een uitzondering betreft: een extra voorziening en vierkante meters voor een beperkt aantal gebruikers.
Maar wat gebeurt er als we niet beginnen bij de doelgroep, maar bij de behoefte achter die voorziening? De praktijk laat zien dat behoeften van verschillende gebruikersgroepen veel vaker overlappen dan vaak wordt gedacht. Een rustruimte wordt niet alleen gebruikt door iemand met ADHD, maar ook door een medewerker met hoofdpijn, iemand die herstelt van een burn-out of Long Covid, of iemand die na uren vergaderen behoefte heeft aan een moment van rust.
Een automatische deur is niet alleen handig voor iemand in een rolstoel, maar ook voor iemand met een zware verhuisdoos, een schoonmaakkar, een tijdelijke schouderblessure of handen vol met een laptop en koffiemok. En duidelijke bewegwijzering is niet alleen belangrijk voor mensen met een visuele of cognitieve beperking, maar helpt ook bezoekers, leveranciers, sollicitanten en hulpdiensten.
Deze voorbeelden laten zien dat voorzieningen vaak waarde toevoegen voor een veel bredere groep gebruikers dan waarvoor ze oorspronkelijk zijn bedacht. Dat inzicht vormt de basis van universeel ontwerp: een manier van ontwerpen waarbij niet de gemiddelde gebruiker centraal staat, maar de diversiteit aan mensen die gebruikmaken van een gebouw. Het doel is om omgevingen te creëren die voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk, bruikbaar en prettig zijn, zonder dat daarvoor achteraf allerlei uitzonderingen of extra aanpassingen nodig zijn.
Juist in de overlap van behoeften ligt de kracht van deze aanpak. Inclusie en toegankelijkheid vormen daarbij geen afzonderlijke voorzieningen die je later toevoegt, maar ontwerpprincipes die vanaf het begin richting geven aan keuzes. Toegankelijkheid gaat over de vraag of mensen ruimtes, voorzieningen en informatie zelfstandig kunnen gebruiken. Inclusie gaat een stap verder en gaat over de vraag of mensen zich welkom voelen, kunnen meedoen en hun werk optimaal kunnen uitvoeren.
Universeel ontwerpen helpt om deze uitgangspunten vanaf de start mee te nemen in het ontwerp en beheer van een werkomgeving. Daarmee wordt inclusie naast een sociaal uitgangspunt, ook een strategische keuze die bijdraagt aan gezonde medewerkers, betere prestaties en aantrekkelijk werkgeverschap.
Het kantoor als ecosysteem van verschillen
Kantoren ontwerpen en beheren vanuit het principe van universeel ontwerp, betekent dat je zorg draagt voor keuzemogelijkheden, zodat iedereen het meest uit zijn werk kan halen. Kijkend naar de afgelopen jaren hebben organisaties veel geïnvesteerd in hybride werken, ontmoetingsplekken en activiteitgericht werken. Wat daarbij soms onderbelicht blijft, is dat medewerkers dezelfde omgeving heel verschillend ervaren. Waar de één energie krijgt van een open werkvloer, ervaart de ander juist overbelasting. Waar de één behoefte heeft aan veel licht en beweging, zoekt de ander rust, voorspelbaarheid en controle.
Inclusieve werkomgevingen erkennen die verschillen als uitgangspunt. Dat vraagt niet om één standaardwerkplek, maar om een palet aan mogelijkheden: stille werkplekken, ontmoetingsruimtes, rustruimtes, gebeds- en bezinningsruimtes, persoonlijk instelbare werkplekken, goede akoestiek, instelbare verlichting en logische wayfinding. Niet omdat iedereen alles nodig heeft, maar omdat niemand hetzelfde nodig heeft.
De verborgen waarde van universele ontwerpkeuzes
Veel ontwerpkeuzes die als ‘speciaal’ worden gezien, blijken in de praktijk een bredere waarde te hebben. Neem de kolfruimte. Die wordt vaak beoordeeld op het aantal gebruikers. Maar daarmee kijken we uitsluitend naar de directe functie van de ruimte. De aanwezigheid van een kolfruimte vertelt ook iets over hoe een organisatie kijkt naar zorgverantwoordelijkheden, werk-privébalans en gelijkwaardigheid.
Hetzelfde geldt voor genderneutrale toiletten, gebeds- en bezinningsruimtes of voorzieningen voor hulphonden. Deze voorzieningen ondersteunen niet alleen specifieke behoeften, maar dragen ook bij aan de ervaring dat mensen welkom zijn en zichzelf kunnen zijn op het werk. Daarmee gaat universeel ontwerpen verder dan functionaliteit alleen. Het gaat ook over de cultuur en waarden die een organisatie uitdraagt. Juist daarom kunnen inclusieve ontwerpkeuzes bijdragen aan aantrekkelijk werkgeverschap, medewerkerstevredenheid en het behouden van talent.
Een confronterende vraag voor iedere opdrachtgever
Bij de ontwikkeling en beheer van nieuwe kantoren worden vaak vragen gesteld over vierkante meters, bezettingsgraden en vastgoedkosten. Vanaf nu zouden we daar een vraag aan toe willen voegen:
Welke behoeften hebben gebruikers, en hoe zorgen we dat het gebouw daarop aansluit?
Een inclusieve werkomgeving ontstaat niet door losse voorzieningen toe te voegen. Ze ontstaat wanneer mensen zich zelfstandig kunnen verplaatsen, ruimtes daadwerkelijk kunnen gebruiken en zich welkom voelen in het gebouw. De uitdaging is om te begrijpen wat mensen nodig hebben om goed te kunnen functioneren, de gemene delers tussen die behoeften te ontdekken en daar een werkomgeving omheen te bouwen.
Zo ontstaat een kantoor dat niet alleen toegankelijk en bruikbaar is voor meer mensen, maar ook bijdraagt aan werkgeluk, gezondheid, productiviteit en aantrekkelijk werkgeverschap. Op elke dag, op elk moment en in iedere levensfase.




















