Kennis ontwikkelen en delen over thuiswerken en werken na de coronacrisis

Kennis ontwikkelen en delen over thuiswerken en werken na de coronacrisis

Kennis ontwikkelen en delen over thuiswerken en werken na de coronacrisis. Dat is het doel van WeWerkenThuis, een onderzoek van Smart WorkPlace partner Aestate, Center for People and Buildings en TU Eindhoven.

Pity Jongens, directeur bij Aestate (foto), licht toe: “Het idee is ontstaan toen in de week van de intelligente lockdown (16-20 maart) een fysieke afspraak tussen Aestate en CfPB noodgedwongen werd omgezet in een Teams-overleg. Een week later is ook de TU Eindhoven in de persoon van Rianne Appel-Meulenbroek aangehaakt. Met het CfPB doet inmiddels ook de TU Delft mee met Monique Arkesteijn als vertegenwoordiger. Uitgangspunt was vanaf het begin om data te verzamelen door de tijd heen. Zodat we in de loop van een langere periode – twee maanden – konden onderzoeken hoe het met de faciliteiten en het welbevinden van thuiswerkers is en hoe zich dat in de loop van de onderzoeksperiode ontwikkelt. Maar ook hoe leidinggevenden in deze periode hun medewerkers bereiken en hoe ze in deze periode leidinggeven.”

Het onderzoek is belangrijk, omdat Jongens ervan overtuigd is dat werken na de coronacrisis anders zal zijn dan ervoor. “De vraag is dus ook: wat kun je uit deze periode leren? Op welke zaken moet je letten als je thuiswerken structureel wilt implementeren en welke behoeften hebben medewerkers als ze wel naar kantoor komen.” Daarbij ligt de nadruk niet alleen op kantoren, maar ook op leeromgevingen van o.a. hogescholen en universiteiten, een markt waar Aestate veel ervaring mee heeft. “Deze periode heeft namelijk ook gevolgen voor de leeromgeving van de toekomst.” Het doel van het onderzoek is volgens Jongens tweeledig: “Enerzijds de waardevolle data over thuiswerken die in de volle breedte van de samenleving beschikbaar zijn bij verschillende beroepsgroepen gefundeerd ophalen om er vervolgens lessen uit te kunnen trekken voor de toekomst. Wat betekent het voor de werkomgeving en de aansturing en welke beroepen dan wel activiteiten lenen zich er wel en niet voor om thuis uit te voeren. En hoe implementeer je thuiswerken succesvol. En anderzijds: hoe moet je de fysieke werkomgeving inrichten voor het deel dat je niet thuiswerkt. En welke activiteiten doe je als je wel bij elkaar komt.”

Bij organisaties die meedoen wordt meerdere weken gemeten. Daarbij krijgen de organisaties niet elke week dezelfde vragenlijst. “Er is een uitgebreide basisvragenlijst met vragen over onder meer de functie (medewerker of leidinggevende), eventuele afspraken over thuiswerken en de thuissituatie (wel of geen kinderen, partner). Deze lijst wordt in het begin ingevuld en komt vervolgens nog tweemaal terug, begin en eind mei. In de tussenliggende weken is er elke week een kortere vragenlijst, die over een specifiek thema gaat. Bijvoorbeeld over welbevinden en ICT-faciliteiten. Die thema-vragenlijsten worden tweemaal afgenomen, om ook daar een eventuele ontwikkeling te kunnen signaleren.”

Voor het onderzoek is bewust het platform www.wewerkenthuis.nl ingericht. “Dat is enerzijds om meer achtergrondinformatie over het onderzoek te geven en anderzijds om deelnemende organisaties een omgeving te bieden waar tussentijdse resultaten en inzichten kunnen worden gedeeld, waar mogelijk met wetenschappelijke duiding uit andere onderzoeken. Ook kunnen deelnemers leuke tips uitwisselen om zo het leereffect te versterken.” Zelf posten de organisatoren ook bijdragen die kunnen bijdragen aan werkgeluk en welbevinden. Zo postte Jongens ‘Home office gymnastics deel 1’.

Organisaties kunnen ervoor kiezen om de vragenlijst individueel naar alle medewerkers te laten versturen of om de vragenlijst naar een centrale contactpersoon te sturen die de vragenlijst vervolgens verder distribueert. We hopen dat de respons een representatieve steekproef van medewerkers van de deelnemende organisaties oplevert.

Alle onderzoeksresultaten van WeWerkenThuis worden verwerkt in een rapport dat aan alle deelnemende organisaties ter beschikking wordt gesteld. Ook komt er een ‘afterparty’ waarin de resultaten worden gepresenteerd en waar het gesprek erover wordt gevoerd. Inmiddels hebben organisaties ook al de vraag gesteld of ze een organisatiespecifiek rapport kunnen krijgen, waarin bijvoorbeeld afdelingen met elkaar worden vergeleken.

Vooralsnog is de onderzoeksperiode twee maanden. Mocht dit door omstandigheden langer worden, gaan de initiatiefnemers met de deelnemende organisaties opnieuw in gesprek. Inmiddels zijn in de week van 6 april de eerste organisaties van start gegaan. Organisaties die alsnog willen deelnemen kunnen zich opgeven tot aan 14 april.

Delen: Twitter LinkedIn Facebook

permalink

Naar het overzicht

Lees verder

Terug naar boven